Variabel doseren van bodemherbiciden
door Kasper van Tilburg / Foto: Koos Groenewold
Bij variabel doseren pas je de dosering aan op basis van verschillen binnen het perceel. Het doel is de juiste dosering op de juiste plek: voldoende middel waar dat nodig is voor een goede werking, en niet meer dan nodig waar een lagere dosering verantwoord is. Daardoor kan in veel situaties ook middelbesparing optreden. Hieronder volgt een praktische gids voor variabel doseren van bodemherbiciden.
1. Kies eerst waarop je wilt sturen
Het begint niet met de taakkaart, maar met de vraag: welke bodemparameter bepaalt hier de dosering? Bij bodemherbiciden zijn vooral organische stof en lutum/klei belangrijk. Deze eigenschappen beïnvloeden hoeveel middel aan de bodem wordt gebonden en hoeveel middel beschikbaar blijft voor de bestrijding van kiemende onkruiden.
Een hoger organischestofgehalte of lutumgehalte kan zorgen voor meer binding van het middel. Daardoor kan op die plekken een hogere dosering nodig zijn om voldoende werking te houden. Op plekken met minder organische stof of lutum is de binding vaak lager en kan een lagere dosering mogelijk zijn, mits dit past binnen advies en etiket.
2. Verzamel bruikbare informatie voor zones
Voor variabel doseren heb je informatie nodig over verschillen binnen het perceel. Dat hoeft niet altijd een gedetailleerde bodemscan te zijn. Ook satellietbeelden, opbrengstkaarten, oude gewasbeelden en eigen perceelskennis kunnen helpen om logische zones te maken aan de hand van verschillen op de beelden
Er zijn grofweg twee routes voor variabel doseren van bodemherbiciden:
| Route | Voorbeelden | Sterk punt | Aandachtspunt |
|---|---|---|---|
| Bodemgericht | organische stof, lutum, bodemtype, bodemscan | Direct gekoppeld aan werking van bodemherbiciden | Kost vaak meer en vraagt goede interpretatie |
| Ervarings- of beeldgericht | satellietbeelden, dronebeelden, opbrengstkaarten, bekende plekken uit het veld | Vaak goedkoper en praktisch beschikbaar | Minder direct; vraagt meer technische en teeltkundige kennis |
Bij bodemherbiciden zijn organische stof en lutum sterk inhoudelijk onderbouwde stuurparameters. Maar in de praktijk zijn die gegevens niet altijd beschikbaar of actueel. Dan kan er ook gestart worden met zones op basis van meerdere jaren satellietbeelden, gewasverschillen en perceelskennis. Denk aan plekken waar het gewas jaarlijks achterblijft, eerder droogvalt, natter blijft, meer onkruiddruk heeft of zichtbaar anders reageert op middelen.
Gebruik de beste beschikbare informatie. Een bodemscan is een goede basis, maar een goed geïnterpreteerde satellietkaart met perceelskennis kan in de praktijk ook bruikbaar zijn.
3. Maak zones en kies hoe fijn je wilt sturen
Een variabele toepassing kan grof of fijn worden uitgevoerd. Dat hangt af van het perceel, de beschikbare informatie, de spuittechniek, het middel en het doel van de toepassing.
In de praktijk is een indeling in drie doseringsniveaus vaak al goed werkbaar: laag, basis en hoog. Maar de resolutie kan verschillen, Je kunt bijvoorbeeld werken met:
| Sturingsniveau | Voorbeeld | Wanneer passend? |
|---|---|---|
| Grof | 3 zones op perceelsniveau | Bij duidelijke, grote bodem- of gewasverschillen |
| Middel | zones van bijvoorbeeld enkele tientallen meters | Bij geleidelijke variatie binnen het perceel |
| Fijn | sectie- of dopniveau, bij duidelijke kleinschalige verschillen | Alleen zinvol als kaart, techniek en teeltkundige onderbouwing dit aankunnen |
De keuze voor grof of fijnmazig sturen hangt af van de variatie in het perceel en van de informatie waarop de kaart is gebaseerd. Bij bodemherbiciden wordt vaak gestuurd op organische stof, lutum/klei of een bodemgerichte zonekaart. Zulke bodemverschillen verlopen in veel gevallen geleidelijk. Dan is een kaart met enkele duidelijke zones vaak praktischer en betrouwbaarder dan een zeer fijnmazige kaart.
Fijnmaziger sturen heeft vooral meerwaarde als de verschillen binnen het perceel ook echt scherp en kleinschalig zijn. Denk bijvoorbeeld aan een oude sloot, een duidelijke overgang in bodemtype of een plek die structureel anders reageert. De kaart moet die verschillen dan betrouwbaar weergeven en de spuittechniek moet ze ook goed kunnen uitvoeren.
Stuur daarom niet automatisch zo fijn mogelijk. Kies het schaalniveau dat past bij de variatie in het perceel, de betrouwbaarheid van de kaart en de beschikbare toepassingstechniek.
4. Bepaal de basisdosering
Kies eerst de basisdosering. Dat is de dosering die je normaal zou gebruiken voor de gemiddelde situatie op het perceel.
Die basisdosering bepaal je op basis van:
- het middel
- het gewas
- het etiket en advies
- verwachte onkruiddruk
- ervaring op het perceel
- omstandigheden rond toepassing
5. Koppel per zone een dosering aan de gekozen basis
Als de basisdosering is bepaald en de zones zijn gemaakt, vertaal je de verschillen in het perceel naar een dosering per zone. De gemiddelde zone krijgt meestal de normale praktijkdosering. Vanuit die basis bepaal je of andere zones lager, gelijk of hoger gedoseerd worden.
Bij een bodemgerichte zonekaart kan een eenvoudige indeling zijn:
| Zone | Situatie | Doseringskeuze |
|---|---|---|
| Laag organische stof en/of lutum/klei | Minder binding verwacht | Lagere dosering overwegen |
| Gemiddeld organische stof en/of lutum/klei | Gemiddelde perceelssituatie | Basisdosering |
| Hoog organische stof en/of lutum/klei | Meer binding verwacht | hoger doseren overwegen |
De dosering hoeft niet in elke zone sterk te verschillen. Ook zijn meer of minder klassen mogelijk, afhankelijk van het doel. Kies doseringsstappen die passen bij het doel van de toepassing. Bij een praktijktoepassing ligt een beperkte, goed onderbouwde aanpassing vaak voor de hand. Wil je vooral leren hoe het perceel of middel reageert, dan kan een duidelijker verschil tussen zones helpen om het effect achteraf beter te beoordelen. Zorg wel dat alle doseringen teeltkundig verantwoord zijn en binnen etiket en advies blijven.
6. Controle voor en na toepassing
Controleer voor het spuiten kort of de toepassing past bij het middel en de omstandigheden: bodemvocht, timing, etiket en weersverwachting. Als deze basis niet klopt, lost variabel doseren dat niet op.
Controleer na toepassing of de gekozen zones goed hebben gewerkt. Kijk vooral of de onkruidbestrijding voldoende was in de verschillende zones en of er gewasremming zichtbaar is op lichte plekken. Gebruik deze waarnemingen om de zone-indeling en dosering bij een volgende toepassing te verbeteren.
7. Praktische checklist
Checklist variabel bodemherbicide toepassen
8. Begrippen
Taakkaart
Een digitaal bestand waarin staat welke dosering op welke plek in het perceel moet worden toegepast. De taakkaart wordt gebruikt door de terminal of spuit om de dosering automatisch aan te passen.
Bodemkaart
Een kaart waarop verschillen in de bodem binnen een perceel zijn weergegeven. Denk bijvoorbeeld aan verschillen in organische stof, lutum/klei of bodemtype. Bijvoorbeeld bodemkaart van Nederland. (https://www.wur.nl/nl/onderzoek/producten-diensten/bodemkaart-van-nederland)
Bodemscan
Een meting waarbij de variatie in de bodem binnen een perceel in kaart wordt gebracht. De uitkomst kan worden gebruikt om zones te maken, bijvoorbeeld voor organische stof, lutum/klei of bodemverschillen. (vaak meer detail en accurater dan een algemene kaart)
Zonekaart
Een kaart waarop het perceel is verdeeld in verschillende zones (vake grotere gebieden). Bij variabel doseren krijgt elke zone een eigen dosering, bijvoorbeeld laag, basis of hoog.
Doseerzone
Een deel van het perceel waar dezelfde dosering wordt toegepast. Een doseerzone is dus één vlak of gebied binnen de zonekaart.
Gewasremming
Een tijdelijke of blijvende groeiremming van het gewas na toepassing van een middel. Dit kan bijvoorbeeld zichtbaar zijn als verkleuring, tragere groei of een minder vitaal gewas. Bij bodemherbiciden kan dit risico groter zijn op gevoelige plekken of bij ongunstige omstandigheden.
Gerelateerde kennis
Bekijk alles over Precisie – Variabel – Minder input